22 mei 2017
Onlangs heeft de rechtbank Noord-Nederland in een procedure beslist dat de in die zaak betrokken ouders aan hun jongmeerderjarige zoon geen onderhoudsbijdrage hoeven te betalen. Wat deze zaak bijzonder maakt is dat de rechtbank tot dit oordeel kwam, niet omwille van een gebrek aan behoefte, behoeftigheid of draagkracht, maar vanwege grievend gedrag van het kind.
De zoon was geboren in China en rond de leeftijd van één jaar door zijn ouders geadopteerd. Inmiddels had hij een opleiding afgerond en woonde hij zelfstandig. Bij de rechtbank werd namens de zoon een verzoek ingediend om een bijdrage in de kosten van het levensonderhoud en studie te betalen door zijn ouders.
De ouders hebben een beroep gedaan op artikel 1:399 BW, daar zij van mening zijn dat in redelijkheid niet van hen kan worden gevergd dat zij (nog) een financiële bijdrage aan hun zoon leveren. Zij voelen zich gekwetst door het alimentatieverzoek en er is sprake geweest van zeer grievend wangedrag van de zoon jegens de ouders. De ouders stellen dat de familieband tussen hen en hun zoon onherstelbaar beschadigd is en dat zij bang zijn voor zijn agressieve en onvoorspelbare gedrag.
De zoon had anderhalf jaar voorafgaand aan de procedure te kennen gegeven dat hij niets meer met zijn ouders te maken wilde hebben en gedreigd hun woning in brand te steken. Daarbij heeft de zoon aangegeven dat “hij hen wel kon vermoorden”. Van dat moment af hadden de ouders niets meer van hem vernomen.
De uitingen van de zoon richting zijn ouders hebben bij de ouders psychische problemen veroorzaakt. Zij zijn beiden gediagnosticeerd met PTSS. Moeder heeft gesteld in angst te leven voor wraak van de zijde van haar zoon en is niet in staat om te werken.
Artikel 1:395a BW verplicht ouders te voorzien in de kosten van levensonderhoud en studie van kinderen tot 21 jaar. Hoewel deze onderhoudsverplichting zwaar weegt heeft de rechter, anders dan bij alimentatie voor minderjarige kinderen, een matigingsbevoegdheid (artikel 1:399 BW) op grond van zodanige gedragingen dat verstrekking van levensonderhoud naar redelijkheid niet (of niet ten volle) van de ouders kan worden gevergd. Het gaat hierbij niet zo zeer om de gedragingen van de zoon op zichzelf maar het effect daarvan op de ouders.
De rechtbank overwoog dat enkel het weigeren van contact met de ouders gedurende anderhalf jaar onvoldoende is voor een dergelijke beperking. De rechtbank nam in deze casus bovendien aan dat het problematische gedrag van de zoon mede een gevolg is geweest van de psychische problemen. De rechtbank zag in de problematische jeugd en de hechtingsstoornis, ongeacht de problematische opvoedingssituatie waarmee de ouders geconfronteerd werden, op zichzelf evenmin onvoldoende aanleiding om de onderhoudsbijdrage te matigen.
De bijkomende omstandigheden gaven voor de rechtbank de doorslag.
De verhouding waren al jarenlang verstoord, omdat de zoon ieder aanbod van zijn ouders, alsmede professionele hulpverlening voor zijn verslavingsproblematiek en hechtingsstoornis heeft geweigerd. Dat hun zoon nu wel geld van hen vroeg, maakte het verzoek in de ogen van de rechtbank voor de ouders te kwetsend.
De ouders hebben, tot de zoon alle contacten verbrak, al het mogelijke voor hun zoon gedaan als ouders en zij zijn steeds erg betrokken en gemotiveerd geweest om hem te helpen zijn leven op de rit te krijgen. Dat de angst en het verdriet van de ouders door het alimentatieverzoek weer is opgehaald, acht de rechtbank aannemelijk.
De moeder heeft onbetwist gesteld dat haar leven wordt beheerst door angst voor haar zoon. De vader op zijn beurt voelt zich onmachtig omdat hij, als hij niet thuis is, zijn echtgenote niet kan beschermen. De zoon heeft er in de ogen van de rechtbank blijk van gegeven niet in staat te zijn tot enig begrip voor de emotionele toestand van zijn ouders. Ter zitting toonde hij zich onverschillig ten aanzien van hun trauma, angst en verdriet.
De rechtbank concludeert derhalve dat van de ouders niet gevergd kan worden een financiële bijdrage aan hun zoon te leveren, gelet op het voor hen kwetsende karakter van het verzoek en matigt de bijdrage op grond van artikel 1:399 BW tot nihil.